CANS (Klachten van de arm, nek en/of schouder)

Terug naar de homepage
Terug naar het info overzicht


Wat is het?
Waardoor kan het komen?

Hoe wordt het vastgesteld?
Wat kan helpen?
Wie kan helpen?
Ermee leven

Wat is het?
Cans staat voor ‘complaints of the arm, neck and/or shoulder’, oftewel klachten van de arm, nek en/of schouder.
Klachten van de arm, nek of schouder kunnen het gevolg zijn van een duidelijke aanleiding. Bijvoorbeeld wanneer iemand spierpijn heeft na het dragen van een zware tas of als de arm gekneusd of gebroken is.
Naast deze duidelijke problemen heeft iedereen wel eens last van de arm, nek of schouder zonder dat daar een directe aanleiding voor lijkt te zijn. Op deze pagina gaat het vooral om klachten zonder duidelijke oorzaak en die ook na enkele dagen nog aanhouden. Voorbeelden van klachten zijn: pijn, stijfheid, tintelingen, onhandigheid, coördinatieverlies en krachtsverlies.
Soms wordt bij deze klachten ook een medisch aantoonbare afwijking gevonden, er wordt dan gesproken van specifieke klachten.
Bekende specifieke aandoeningen zijn de tenniselleboog, het carpaal tunnel syndroom en het rotator cuff syndroom.
Slechts 3 op de 10 mensen heeft last van een specifieke klacht. De klachten waarbij medici geen afwijking kunnen aantonen, noemt men aspecifieke klachten.
Veel mensen denken bij deze klachten aan RSI (Repetitive Strain Injury). De term RSI is onjuist omdat deze suggereert dat er een beschadiging (injury) is maar hiervan is bijna nooit sprake. Daarnaast zijn ook de woorden ‘repetitive strain’ (herhaalde belasting) verwarrend. Klachten ontstaan soms helemaal niet door herhaalde belasting maar door constante belasting.
Nederlandse behandelaars hebben in 2004 afgesproken voortaan de term CANS (Complaints of the arm, neck and/or shoulder, oftewel klachten van de arm, nek en/of schouder) te gaan gebruiken en te gaan werken volgens het CANS-model. CANS is een omschrijving van een klachtencomplex, in het model wordt stap voor stap gekeken welke specifieke klachten er zijn die bij een bepaalde aandoening passen of welke aspecifieke klachten er zijn. Op deze manier spreken behandelaars dezelfde taal en kan sneller duidelijk worden wat er aan de hand is en kan men daar sneller wat aan doen.
Klachten van de arm, nek en/of schouder kunnen licht zijn en na een korte rustperiode verdwijnen. Matige klachten kunnen wat langer aanhouden of zorgen voor een lichte beperking in dagelijkse activiteiten. Ernstige klachten of klachten die lang aanhouden, zorgen er soms voor dat mensen hun werk of andere activiteiten niet meer kunnen uitvoeren.
Top
Waardoor kan het komen?
Er zijn verschillende soorten risicofactoren waardoor klachten aan de arm, nek en/of schouder kunnen ontstaan.
Fysieke (lichamelijke) belasting
Door vaak dezelfde beweging te maken kan een spiergroep of een pees geïrriteerd raken. Continu kracht zetten of in een onnatuurlijke houding zitten of staan, kan ook een overbelasting van spieren veroorzaken.
Psychosociale belasting
Een hoge psychische belasting (werkstress, werktempo, werkdruk, hoge mentale eisen) kan in combinatie met bijvoorbeeld een slechte werkorganisatie of verstoorde werksfeer leiden tot hogere spierspanning. Dit vergroot de kans dat een klacht voort blijft duren.
Persoonsgebonden factoren.
Waarschijnlijk spelen ook individuele factoren een rol, zoals een perfectionistische instelling en iemands fysieke en mentale belastbaarheid.
Klachten van de arm, nek en/of schouder komen vrij vaak voor bij mensen die administratieve werkzaamheden verrichten. Ook mensen in de industrie, vleessector of bouwnijverheid hebben klachten.
Niet alleen het werk maar ook andere dagelijkse activiteiten, zoals het huishouden doen, het spelen van een muziekinstrument of tennissen, kunnen klachten bevorderen. Andersom kan ook: als men buiten het werk klachten krijgt, kunnen die ook op het werk storend zijn.
Top
Hoe wordt het vastgesteld?
In eerste instantie wordt op basis van de klacht en een lichamelijk onderzoek vastgesteld of er sprake kan zijn van een specifiek probleem. Vervolgens kan nader onderzoek worden gedaan om een specifiek probleem vast te stellen of juist uit te sluiten.
Top
Wat kan helpen?
Een specifieke aandoening (een aandoening met een duidelijke oorzaak) kan vaak verholpen worden met een specifieke behandeling.
Voor een aspecifieke klacht, dus een klacht zonder duidelijke oorzaak, is het niet makkelijk om een goede behandeling te kiezen.
Het is belangrijk om spieren op een juiste manier in te spannen en ook weer goed te ontspannen. Om dit te leren hebben sommige mensen baat bij bijvoorbeeld oefentherapie.
Top
Wie kan helpen?
De huisarts kan met name voorlichting geven over de klachten en bepalen of er nader onderzoek nodig is. Veel mensen vragen zich af welke specialist over klachten van de arm, nek en/of schouder gaat. Dat kunnen er meerdere zijn. Een neuroloog, neurochirurg, plastisch chirurg, orthopedisch chirurg en algemeen chirurg behandelen allemaal specifieke problemen van de arm, nek en schouder. De huisarts bepaalt voor iedere patiënt of en zo ja, welke specialist kan helpen.
Als de klachten aspecifiek zijn, is het meestal beter om bij de huisarts of eventueel de bedrijfsarts onder controle te blijven. Samen kan dan gekeken worden naar aanpassingen thuis en/of op de werkplek die de klachten verlichten. Naast een goede lichaamshouding zijn ook de indeling, planning en taakverdeling van activiteiten belangrijk.
Top
Ermee leven
Een klacht kan veel onzekerheid met zich meebrengen. Piekeren kan de klachten ook weer versterken. Het zoeken van afleiding en activiteiten waarbij men niet aan de klacht herinnerd wordt, kan gunstig werken.
Het kan over het algemeen geen kwaad om aan het werk en in beweging te blijven. Bepaalde werkzaamheden kunnen echter moeilijk zijn zodat sommige mensen zich misschien kortdurend ziek melden. Het is over het algemeen gunstiger voor het herstel om aan het werk te blijven en het werk tijdelijk aan te passen. Als dat niet lukt, is het handig om contact te houden met collega’s.
Iemand die zich niet ziek meldt, kan wel een afspraak maken met de bedrijfsarts of de bedrijfsverpleegkundige om de problemen op het werk te bespreken. Misschien is het mogelijk om met kleine aanpassingen aan het werk te blijven. Informatie over het open spreekuur kunt u krijgen bij de arbodienst van uw werk.
De bedrijfsarts en de huisarts kunnen informatie uitwisselen om de begeleiding optimaal op elkaar af te stemmen, maar nooit zonder toestemming van de patiënt.
Mensen die langdurig ziek zijn hebben soms baat bij begeleiding door een reïntegratiebedrijf.
Top
Bron: Werkend lichaam 01/2006